dinsdag 17 maart 2020

                         Wieke in Zambia

Dit is het verhaal van Wieke Biesheuvel over de zes jaar dat zij met haar man, na hun pensionering,
in Zambia gaat wonen. Rob, haar man, gaat chirurgisch werk doen en Wieke gaat schrijven voor de Libelle over het leven daar. Dat schrijven is al snel niet genoeg meer en ze start allerlei projecten op samen met lokale mensen om het leven van de allerarmsten om haar heen te verbeteren.

Heel eerlijk, ik vind niet dat ze heel goed schrijft, maar de verhalen zijn zo leuk en vooral zo menselijk en herkenbaar, dat dat niet uitmaakt. Ze zegt terecht dat ze zich af en toe als een wandelende portemonnee voelt, maar de filosofie van haar vader is overtuigend: Je doet wat je kunt voor de dingen die op je pad komen en de rest doet iemand anders maar. Het zijn hele intieme, dierbare verhalen met een lach en een traan waarbij je aan het einde van het boek het gevoel hebt dat je iedereen persoonlijk hebt leren kennen. Geen hoogdravende 'kijk mij nou eens goed doen' verhalen, maar juist de kleine, bescheiden acties die zoveel verschil maken van gezin tot gezin. Daarbij niet vergetend dat de lokale mensen de plannen maken, de spullen leveren en het daadwerkelijke werk doen. Wieke zorgt alleen, samen met haar gulle Nederlandse lezers, voor de financiën. En af en toe een lift met Alfie...  

Als je zelf in Afrika - Zuidoost Afrika - hebt gewoond zoals wij is het een feest van herkenning. Als je nog nooit in Afrika bent geweest, zul je er in ieder geval een klein beetje meer van begrijpen. Wieke omschrijft het namelijk niet alleen precies zoals het is, ze gooit af en toe ook nog wat vooroordelen en misvattingen over Afrika en Zambianen ('Afrikanen'), maar ook over de veelal naïeve mzungu (blanke) tegen het licht. Zodra je als leek het gevoel van "nou ja!" krijgt, vertelt Wieke iets waardoor dat omzwaait naar "oh ja, natuurlijk...". 

Ze schrijft heel gemakkelijk met een goede dosis zelfspot en ironie. Een vriend van ons die in Kenia woont zei ooit dat als hij bitter zou worden van het troosteloze en uitzichtloze bestaan van zoveel armoede en corruptie, dat het tijd zou zijn om naar Nederland terug te gaan. Gelukkig wordt Wieke niet bitter, ze blijft het goede in de mensen om haar heen zien en dat is knap. Zo hou je het ook vol en zo behoud je je liefde voor dit prachtige continent met haar mooie mensen. 




donderdag 7 juni 2018

Arabier en Negerprins




Arabier en Negerprins – P.J. Andriessen
Pieter Jacon Andriessen werd geboren in Den Haag in 1815. Op schrijversinfo.nl vond ik wat informatie over hem: Hij was de zoon van een hoofdonderwijzer Jacob Andriessen en zijn vrouw Susanna Bouman. Hij was er de oudste van negen kinderen. Als kind was hij een fanatiek lezer. Daarnaast kon hij goed tekenen en schilderen. Hij werd onderwijzer in Amsterdam, op de school van zijn vader. In 1844 werd hij hoofdonderwijzer op een door hem zelf gestichte school aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Hij bleef hier werken tot 1872, toen hij full-time schrijver werd. Op 24-04-1844 trouwde hij met Johanna Maria Adriana Hendrica Jesbroek. Ze kregen twee dochters en een zoon. In juni 1860 werd hij benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. 

P.J. Andriessen wordt met Pieter Louwerse gerekend tot de pioniers van het historische jeugdboek. "Dat ièts van de Romantiek, in Nederland toch al een weinig krachtige stroom, tot de kinderen kon doordringen, dat hun leesbare boeken werden geoffreerd over een onderwerp, dat hun volle belangstelling had, is geen kleinigheid in een tijd als waarin hij leefde." (D.L. Daalder. Wormcruyt met suycker, blz. 88)

"Andriessens boeken behoren tot de categorie 'in de historie ingepaste roman'. Daarbij beperkt de auteur zich 'tot het navertellen van een historisch gebeuren, dat hij wat aantrekkelijker wil maken door er een, meestal uiterst eenvoudige, romanhandeling in te brengen'. Voor alles bleef Andsriessen de onderwijzer die op een prettige manier zijn lezers kennis van de eigen geschiedenis wilde bijbrengen." (P.J. Buijnsters en Leontine Buijnsters-Smets, Lust en leering, blz. 124) "Om de geschiedenis op onderhoudende wijze aan de jeugd over te dragen, begon hij historische verhalen te schrijven. Daartoe verrijkte hij staatkundige geschiedenis met verhalende elementen. De combinatie van historische details, uitleg en een wat stijve stijl van schrijven maakte zijn boeken enigszins saai. Desondanks waren ze lange tijd populair."(Jan van Coillie e.a., Encyclopedie van de jeugdliteratuur, blz. 21)

Tja, misschien vinden sommigen het saai ja, maar ik in ieder geval niet. Voor een boek uit de tijd waar het in geschreven is, is het een heel verhalend boek, dat je aandacht weet vast te houden. Zeker als je interesse hebt in hoe de mensen in Europa dachten over andere culturen en landen in die tijd. Hun wereldbeeld was zo anders dan dat van ons nu, dat je echt je best moet doen om het te willen begrijpen. Ik vind dat een leuke uitdaging en je ontdekt dingen die je niet zo snel in geschiedenisboeken zult terugvinden. Andriessen heeft dit boek vertaald naar het Nederlands. Het Engelstalige origineel is van niemand minder dan Henry M. Stanley. 

Verhaal
Dit is een avonturen jongensboek over de jonge Arabier Selim en de neef van de Wahuma koning, Kalulu. De Arabieren van Zanzibar horen dat in 'Afrika', bij het volk de Rua, veel mooie slaven en ivoor te halen zijn. Ze plannen een safari en nemen hun zonen mee voor de ervaring. 
Als ze echter bijna op de aangewezen plek zijn, worden ze gewaarschuwd door een dorpshoofd van de Watutu dat ze beter kunnen omkeren. De Arabieren vatten dit op als een oorlogsverklaring en gaan over op de aanval. De Watutu krijgen hulp van hun koning en de Arabieren worden verslagen en gedood. 
De zoons van de Arabieren, waaronder Selim, worden gevangen genomen en tot slaaf gemaakt. In eerste instantie begrijpen ze het niet: "Arabieren zijn geen slaaf!", maar al snel leren ze de werkelijkheid onder ogen te zien, terwijl ze met de karavaan mee moeten lopen. Twee van de slaven van Selim, Simba en Moto die ook gevangen zijn genomen, gaan naar de Koning van de Watutu en vragen hem om hulp. Voor henzelf, maar ook voor Selim en de anderen met wie ze zijn opgegroeid. Ze krijgen die hulp ook omdat Moto ooit de neef van de koning en troonopvolger, Kalulu heeft gered. 
Selim lukt het ondertussen om te ontsnappen en in de Afrikaanse wildernis doodt hij zelfs een leeuw. Toch houdt hij het maar een paar dagen vol en hij dreigt door gebrek aan ervaring om te komen van de honger en dorst. 
De rest van de karavaan komt in het dorp van de koning aan. Daar horen ze dat Selim is ontsnapt en Simba en Moto besluiten samen met Kalulu om hem te gaan zoeken. Ze vinden hem en Selim en Kalulu raken bevriend en worden bloedbroeders. Op die manier kan Selim niets meer gebeuren als hij terug in het dorp komt. In het dorp is Ferodia, die zichzelf als rechtmatige troonopvolger ziet, het hier niet mee eens en vertrekt woedend. 
Selim blijft gast en leert het Afrikaanse leven kennen door mee te gaan op nijlpaardenjacht en olifantenjacht. Na twee weken komen ze terug in het dorp en bijkt de koning overleden te zijn. Kalulu wordt koning, maar Ferodia komt met zijn aanhangers terug in de nacht en neemt iedereen gevangen. Ze worden echter bevrijdt door de trouwe Niani en vluchten. Na nog meer avonturen vinden zij hun weg terug naar Zanzibar waar Kalulu als broer in het gezin van Selim wordt opgenomen. 

citaat
"Moto, ik ben er verbaasd over, dat je den knaap liet gaan, terwijl je vijftig kleederen voor hem hadt kunnen krijgen," zeide Selim. 
"Ik niet," zeide Simba, "want ik ken Moto en 't is daarom, dat ik heb liefheb als mijn broeder. Hij is immers een koningszoon! Zou Moto Kalulu ontnemen, wat het zijn niet was? Meester Selim, gij weet niet wat het zegt, een slaaf te zijn. Bid Allah, dat ge 't nooit moogt ondervinden!"
"Ik een slaaf! Je droomt, Simba. Een Arabier kan geen slaaf zijn. Alleen de zwarte mannen werden geboren om de slaven der Arabieren te zijn."

Oud Holland dus, maar goed te volgen. Het is ook nodig om het verhaal te lezen vanuit het perspectief van die tijd, want er komen lekker foute woorden in voor zoals negerwilden en opvattingen die geheel in die tijd passen zoals 'hoe blanker hoe beter.' Men wist eenvoudigweg niet beter...


donderdag 14 april 2016

Heart of Darkness – Joseph Conrad


Waar mogelijk probeer ik boeken die van origine in het Engels geschreven zijn, ook in het Engels te lezen. Zeker als het om een boek gaat waar zoveel over te doen is geweest sinds het is geschreven. Heart of Darkness ontstond in 1899, grofweg het begin van het kolonialisme, een tijd waarop bijna geen Afrika-varende natie trots is, door wat ze daar toen hebben uitgespookt.

Het belang van het boek voor en na de koloniale tijd

Joseph Conrad schreef het boek op basis van eigen ervaringen en herinneringen. Hij werkte, 11 jaar voor hij zijn boek schreef, voor een Belgische handelsorganisatie aan boord van een stoomboot die naar Afrika (Congo rivier) voer. Het boek wordt gezien als een van de meest krachtige veroordelingen van het imperialisme uit die tijd. In het boek wordt gesteld dat er weinig verschil zit tussen de zogenaamde geciviliseerde wereld en de beschreven ‘wilden’. Heart of Darkness stelt belangrijke vraagtekens bij het imperialisme en racisme. Tegen de jaren ’60 stond het werk als standaard opdracht voor Engelse les in scholen en universiteiten van Engeland.

Gek genoeg lees ik op Wikipedia dat er tal van vooraanstaande Afrikaanse schrijvers zijn die het boek juist verafschuwen. Vooral in de postkoloniale tijd barst er een jarenlange discussie los over dit relatief kleine verhaaltje. Het begint bij de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe, die in 1975 een lezing geeft over het boek genaamd:  "An Image of Africa: Racism in Conrad's Heart of Darkness". Daarin stelt hij dat hij Conrads verhaal  ‘beledigend en verwerpelijk vindt en dat het Afrikanen onmenselijk neerzet’.  Hij zegt dat Conrad de Afrikanen juist als antithese van de Europese samenleving uit zijn tijd neerzet en dat hij de artistieke prestaties van de lokale Fang bevolking totaal negeert. Daar sloten velen Afrikanen uit verschillen landen zich bij aan.

Ik moet zeggen dat ik het eens ben met de originele lezing van de tekst en helemaal niet met Achebe en zijn volgers. Ik denk dat Achebe zich niet kan voorstellen hoe het moet zijn geweest voor een blanke man, voor wie de wereld tot voor kort altijd alleen maar blank is geweest - Marlow vertelt dat hij al jaren gefascineerd werd door de lege plekken op wereldkaarten en dat het een obsessie werd om die te gaan ‘inkleuren’ -  ontdekt dat de mens er zo verschillend uit kunnen zien en zulke verschillende culturen kan hebben. Hij laat nergens blijken dat hij ze ‘onmenselijk’ vindt, zoals Achebe beweert. Bij het lezen begreep ik juist heel goed het gevoel van respect, verwondering, bewondering en een beetje angst, die een blanke man moet hebben gehad bij de eerste ontmoeting met Afrikanen: “You could see from afar the white of their eyeballs glistening. They shouted, sang; their bodies streamed with perspiration; they had faces like grotesque maskes – these chaps; but they had bone, muscle, a wild vitality, an intense energy of movement, that was as natural and true as the surf along their coast. They wanted no excuse for being there. They were a great comfort to look at.

Prachtige schrijfstijl

In 1998 stond Heart of Darkness in de ranglijst van 100 beste boeken in het Engels van de 20ste eeuw op de 67ste plaats. Ik weet niet precies wat de criteria zijn voor die lijst, maar Conrad’s manier van schrijven is echt prachtig. Het verhaal wordt verteld door Charles Marlow, een zeeman die met een aantal vrienden aan de monding van de Thames moet wachten op hoogtij. Het wordt donker en hij mijmert over het feit dat Londen ooit ook een ‘donkere plek’ was, met grote gevaren. Hij vergelijkt het met het Afrika waar hij als kapitein op een schip de binnenlanden van Afrika in ging om ivoor te gaan halen. 

De zon is net ondergegaan: “Forthwith a change came over the waters, and the serenity became less brilliant but more profound. The old river in its broad reach rested unruffled at the decline of day, after ages of good service done to the race that peopled its banks, spread out in the tranquil dignity of a waterway leading to the uttermost ends of the earth. We looked at the venerable stream not in the vivid flush of a short day that comes and departs for ever, but in the august light of abiding memories. And indeed nothing is easier for a man who has, as the phrase goes, ‘followed the sea’ with reverence and affection, than to evoke the great spirit of the past upon the lower reaches of the Thames.”…

What greatness had not floated on the ebb of that river into the mystery of an unknown earth!...The dreams of men, the seed of commonwealths, the germs of empires.”

Natuurlijk is het ‘oud’ Engels, maar door zijn omschrijvingen zie ik het zo voor me; ze zijn origineel en treffend; niet te veel, niet te weinig; het tempo is laag, hij neemt de tijd, maar dat vind ik juist wel lekker. Het lijkt bijna een soort droom of trance, zeker als je weet dat het bij het vallen van de nacht – het is zo donker dat ze elkaar niet meet kunnen zien -  aan een stel wachtende zeemannen wordt verteld. Het ‘boekje’ is niet veel meer dan 100 pagina’s en het verhaal is simpel. Dan mag de vertelstijl wel langzamer zijn. Ik vind het moeilijk om uit te leggen wat ik zo mooi aan zijn taal vind. Misschien illusteert dit het nog wel het beste: Mijn gewoonte is om bij een mooi citaat een stukje papier tussen de pagina’s te doen. Dit kleine boekje zit vol met mijn papiertjes, op bijna elke pagina..

 A great silence around and above. Perhaps on some quiet night the tremor of far-off drums, sinking, swelling, a tremor vast, faint; a sound weird, appealing, suggestive, and wild – and perhaps with as profound a meaning as the sound of bells in a Christian country.”

Het verhaal

Een goede samenvatting is op Wikipedia te vinden. Hier een klein voorproefje:
Aboard the Nellie, anchored in the River Thames near Gravesend, England, Charles Marlow tells his fellow sailors about the events that led to his appointment as captain of a river steamboat for an ivory trading company. He describes his passage on ships down the African coast and then into the interior to the Company's Outer Station, which strikes Marlow as a scene of devastation. At this station, Marlow meets the Company's chief accountant who tells him of a Mr. Kurtz, explaining that Kurtz is a widely respected, first-class agent who brings in more ivory for the Company than all the other agents combined.

Old Belgian river station on the Congo River, 1889









Marlow departs with a caravan to travel on foot some two hundred miles into the wilderness to the Central Station, where the steamboat that he is to captain is based. When he arrives, he is shocked to learn that his steamboat had been wrecked two days earlier. After fishing his boat out of the river, Marlow is frustrated by the months it takes to perform the necessary repairs. During this time, he learns that Kurtz is far from admired, but more or less resented (mostly by the manager).
Once underway, the journey up-river to Kurtz's station takes two months to the day. The steamboat stops briefly near an abandoned hut on the riverbank, where Marlow finds a pile of wood and a note indicating that the wood is for them and that they should proceed quickly but with caution.


The Roi des Belges ("King of the Belgians"—French), the Belgian riverboat Conrad commanded on the upper Congo, 1889












The journey pauses for the night about eight miles below the Inner Station. In the morning the crew awakens to find that the boat is enveloped by a thick white fog. From the riverbank they hear a very loud cry, followed by a discordant clamour. A few hours later, as safe navigation becomes increasingly difficult, the steamboat is attacked with a barrage of small arrows from the forest. The helmsman is impaled by a spear and falls at Marlow's feet. Marlow sounds the steam whistle repeatedly, frightening the attackers and causing the shower of arrows to cease. Marlow and a pilgrim watch the helmsman die.
 […]
Kurtz's health worsens on the return trip. The steamboat breaks down and, while it is stopped for repairs, Kurtz gives Marlow a packet of papers, including his commissioned report and a photograph, telling him to keep them away from the manager. When Marlow next speaks with him, Kurtz is near death; as he dies, Marlow hears him weakly whisper: "The horror! The horror!" A short while later, the "manager's boy" announces to the rest of the crew, in a scathing tone, "Mistah Kurtz - he dead." The next day Marlow pays little attention to the pilgrims as they bury "something" in a muddy hole. He falls very ill, himself near death.

Upon his return to Europe, Marlow is embittered and contemptuous of the "civilised" world. Many callers come to retrieve the papers Kurtz had entrusted to him, but Marlow withholds them or offers papers he knows they have no interest in. He then gives Kurtz's report to a journalist, for publication if he sees fit. Finally Marlow is left with some personal letters and a photograph of Kurtz's fiancée, whom Kurtz referred to as "My Intended." When Marlow visits her, she is dressed in black and still deep in mourning, although it has been more than a year since Kurtz's death. She presses Marlow for information, asking him to repeat Kurtz's final words, which in fact are "The horror! The horror!" Uncomfortable, Marlow lies and tells her that Kurtz's final word was her name.

PS: Zoals bij alle fantastische boeken,  is er een film van gemaakt: http://www.imdb.com/title/tt0110002/


Born Free – Joy Adamson



                                                                                               

Wie kent dit verhaal nou niet? Toen het boek uitkwam in 1960 heeft het wekenlang in de top tien van de New York bestsellerlijst gestaan en niet lang daarna is het succesvol verfilmd. Joy Adamson, een Oostenrijkse kunstenares, schrijft het verhaal van een leeuwenwelpje Elsa dat met haar twee zusjes wordt gevonden nadat haar moeder door George (haar man) moest worden gedood. In die tijd was er nog weinig bekend over hoe je wilde dieren moet verzorgen, maar de drie zusjes overleven het door de goede zorg van Joy.

Hoewel Joy geen schrijfster van beroep is, weet ze door haar eerlijke en grappige manier van vertellen een heel aangrijpend verhaal te schrijven dat je aandacht blijft vasthouden. Ze schrijft komische anekdotes over wat de drie katjes samen met de rockdassie Pati Pati uithalen in en om het huis, maar is ook heel eerlijk over haar verdriet als Pati Pati komt te overlijden (van ouderdom). Ze schrijft niet dramatisch of zielig, maar juist door haar droge en feitelijke woorden weet je precies wat er gebeurt en het gevoel komt vanzelf bij de lezer. Ik was nog niet eens op een kwart van het boek en ik had al hardop zitten lachen en stilletjes zitten huilen.

Over Pati Pati: “Her excretory habits were peculiar; rock hyraxes always use the same place, for preference the edge of a rock; at home Pati invariably perched herself on the rim of the lavatory seat, and thus presented a comical sight. On safari where no such refinements were provided for her, she was completely bewildered, so we had eventually to rig up a small lavatory for her.”

Het verhaal

Als de drie dametjes te groot worden, vertrekken haar twee zussen naar een dierentuin in Rotterdam en Elsa blijft bij George en Joy. Elsa besluit dat George en Joy, samen met een paar mensen uit hun huishouden, haar familie zijn en ze groeit zorgeloos op. George is Senior Game Warden in Noord Kenia, wat betekent dat hij veel moet reizen om problemen op te lossen tussen de bevolking en de wilde dieren, de wildstand in de gaten houden en stroperij tegengaan. Elsa draait volledig mee in het huishouden en gaat veel mee op safari. Elsa leeft ‘vrij’, wat betekent dat ze overdag kan komen en gaan wanneer ze wil. Aangezien Joy en George midden in de wildernis leven, maakt Elsa dus al snel kennis met andere wilde dieren en dat levert hele leuke verhalen op; een jong katje van ongeveer honderd kilo, dat speelt met giraffen en buffels in plaats van een bolletje wol.

Als Elsa groot genoeg is besluiten ze haar terug te brengen naar de wildernis. Voor zover bekend was dat toen nog niemand ooit gelukt en Elsa is zo vertrouwd met mensen (als ze zenuwachtig is, wil ze graag op de duimen van Joy zuigen…), dat het een hopeloze onderneming lijkt.  Eerst moet ze leren om te jagen. Een taak die George op zich neemt. Daarna moeten ze een geschikte plek vinden om Elsa vrij te laten, wat een moeilijkere taak blijkt dan gedacht. Joy schrijft ook verdrietig dat vooral het vertrouwen van Elsa breken een hele moeilijk moment is. Ze moeten stiekem weg sluipen om er voor te zorgen dat Elsa hen niet achterna komt. De eerste keer mislukt het, maar bij de tweede poging gaat veel beter en Elsa blijft steeds langer weg van ‘huis’.

Ondanks dat ze ‘wild’ leeft, blijft ze even aanhankelijk en lief tegen Joy en George. Zelfs nadat ze een mannetjes leeuw heeft gevonden die haar lijkt te accepteren, blijft ze komen als Joy en George haar bezoeken in haar territorium. Ze lijkt een weg te hebben gevonden tussen haar mensenfamilie en haar leeuwenfamilie.

Vraagstukken

Er komen in het boek vraagstukken aan bod over het wel of niet hebben van wilde dieren als huisdieren; of ze wel terug naar het wild moeten of niet; of een ‘wild’ dier bijvoorbeeld een eigen karakter kan hebben en echte affectie kan voelen voor een andere ‘soort’. De antwoorden waren er toen nog niet, maar het verhaal zelf heeft wereldwijd een grote omslag teweeg gebracht in hoe mensen over het wilde Afrika dachten. Er is meer dan alleen maar de plezierjacht, enge ziektes en inheemse volkeren, je kunt ook genieten van de wildernis en er veel van leren.

Documentaire

Ik kwam een documentaire tegen over het boek, de film en Joy Adamson. Ik heb er een beetje spijt van dat ik die gekeken heb, want het haalde de romantiek een beetje uit het verhaal. Vooraanstaande biologen als Desmond Morris en naturalist en presentator David Attenborough komen aan het woord. Ze hebben echter niet veel positiefs te vertellen. Morris kreeg het gevoel dat Joy meer een soort ongezonde liefdesrelatie had met Elsa dan dat ze een huisdier was. Attenborough mocht toentertijd op bezoek komen met een cameraploeg, maar was verbijsterd over wat een onaardig mens Joy was, met, volgens hem, verkeerde principes. Hij vertelt bijvoorbeeld dat Elsa op een geven moment het kamp in komt en dat Joy iemand opdracht geeft om een geit te slachten voor Elsa. Ze knuffelt de leeuwin, terwijl ergens op de achtergrond een geit om haar leven schreeuwt. Ook als Elsa ruzie heeft met een andere leeuwin, draagt Joy George op in niet mis te verstane woorden om die leeuwin dood te schieten. Attenborough ergert zich hier verschrikkelijk aan. In de documentaire komt het leven (en de moorden) van Joy en George ook aan bod, een fascinerend verhaal.


Alle pioniers door de geschiedenis heen, op alle vlakken, doen mooie dingen en maken fouten, dus ik wil niet oordelen over wat wel en niet goed was. Feit blijft dat het een wonderbaarlijk waargebeurd verhaal is en een mooi boek om te lezen.






dinsdag 7 juli 2015

Het Afrikaanse dagboek van Arthur Cripps - Owen Sheers



Dit soort boeken is een van mijn zwaktes. Een op waarheid gebaseerd verhaal. Een zoektocht door de geschiedenis met een handvol feiten die steeds groter groeit. Met een bepaald gevoel een reis maken om uit te zoeken of dit gevoel klopt. Of de feiten passen. Iets dat je niet meer loslaat, wat je ook probeert, tot je het doel hebt bereikt. Of niet.  Een obsessie dus.
Het verhaal gaat over Arthur Cripps, een missionaris in Afrika en de achter-oom van de auteur Owen Sheers. Sheers komt er achter dat hij een ver familielid heeft dat, net als hij, gedichten schreef. Zijn nieuwsgierigheid gewekt, gaat hij op zoek naar deze mysterieuze man waarover eigenlijk niemand hem iets naders kan vertellen. Het boek is verdeeld in drie tijden, het begin van de 20ste eeuw, als Cripps vertrekt;  het midden, als zijn dood nadert en het einde, als zijn achterneef zijn leven bij elkaar gaat puzzelen. Van een ondergrondse bibliotheek in Oxford, via het nationale archief van Zimbabwe tot het platte land en een verlaten kerk volgen we de auteur op zijn speurtocht door het verleden en door Afrika. Hij spreekt mensen die Baba Cripps nog gekend hebben en hij ontdekt dat er zelfs een jaarlijks feest wordt georganiseerd ter ere van zijn oom. Zo komt hij er achter dat Arthur Cripps zijn wortels diep in Afrika plantte en dat Afrika door de aderen van Arthur Cripps stroomde. Hij ontdekt waarom de man meer dan een halve eeuw in Afrika is gebleven tot aan zijn dood en het geheim waarom hij uit Engeland is gevlucht. ..En dat alles waar gebeurd!
Ik las het boek in een keer uit. Het is heel vloeiend geschreven met voor Afrika-gangers ontzettend herkenbare elementen, maar ook voor lezers die nog nooit in Afrika zijn geweest. Sheers schrijft zo duidelijk, dat het heel goed voor te stellen is. Hij schrijft als een dichter. Omschrijvingen zijn heel raak en heel uitgebreid. Een of twee keer betrapte ik me er op dat ik het te lang vond (zeker als je het Afrikaanse landschap kent).  Er zit ook humor in, waardoor je, misschien een beetje doezelig geworden door de warmte en het vele stof, weer wakker geschud wordt. Ook de indeling van de drie verschillende tijden maakt dat het geen moment ‘te veel’ wordt. Gewoon lekker doorlezen, heerlijk boek.

Quotes:
“Daarachter krulde het rif als een naad in de zee, en hij ving een glimp op van een jongen en een meisje die op het strand onder de tuigage van een op het droge getrokken dhow aan het spelen waren. Zelfs het draaien en tollen van de stofwolken onder de hoeven van het paardje leek deel uit te maken van een groter verband waarmee hij in harmonie was.” (p21)

“ ‘Ik wilde u vragen of we elkaar de volgende keer dat we allebei in de stad zijn, eens kunnen ontmoeten om over poëzie te praten. Misschien kan ik u dan wat voorlezen. Ik heb een heel aardige bibliotheek.’ Hij wachtte even en voegde er toen aan toe: ‘ik weet dat u niet meer zo goed ziet.’ Arthur wachtte of Brettell nog meer te zeggen had, maar hij hoorde alleen de geluiden van de ontwakende stad buiten. Hij was van zijn stuk gebracht. Hij sprak de laatste tijd nog maar weinig Europeanen, en dan alleen mensen die hij al bijna zijn hele leven kende. Hij had het opgegeven nieuwe mensen te ontmoeten; hij vond dat hij al iedereen kende die hij wilde kennen en teveel vrienden had verloren om nog nieuwe vriendschappen te willen sluiten.” (p58)

“De opmerking is zo terloops, zo vluchtig, dat ik wel haast moet denken dat er veel meer achter zit, zoals het topje van een ijsberg niets onthult over de enorme hoeveelheid ijs onder de waterspiegel. Dat kan natuurlijk best een illusie van me zijn, iets wat ik graag wil zien omdat ik er eigenlijk al die tijd al naar zocht. Een indicatie van een leven achter je handelingen, iets wat wijst op de mens achter de geschiedenis.”(p79)

“In Enkeldoorn kwam hij tot stilstand, zoals zo velen anderen aangewaaid op de winden van hun verleden.”(p124)


“Diep van binnen weet hij het. En weer voelt hij die scheut van angst die hem dwars door dat besef via de paniek naar de ontkenning duwt. De angst in zijn binnenste. Hij is drieëntachtig, hij zou niet bang moeten zijn. Hij heeft zijn God, hij zou niet bang moeten zijn. Maar dat is hij wel. Bij de gedachte aan de al verstreken ‘morgens’, de gedachte aan de ‘morgens’ die hij niet meer zal meemaken, voelt hij angst. Een oerangst, waarvan hij hartkloppingen krijgt en het zweet hem uitbreekt. […] Maar van binnen is hij jong en brandt hij van verlangen naar iedere ademtocht, iedere aanblik en ieder geluid die hem nog vergund zijn. “ (p51)

The life of my choice – Wilfred Thesiger

The dusk deepened and one by one the familiar stars appeared, growing in number and brilliance as it grew darker. Round us were the huddled sheep and goats, several hundred in all, their bleating a homely not unpleasant noise. At last I stretched out on my sheepskin. A boy played snatches on a flute, and very sweet it sounded. The late moon rose and still they talked beside the dying fire. Here in the Northern Darfur among these people I had been utterly content. As I drifted off to sleep I felt great sadness at leaving them.”


Ik heb iets met ontdekkingsreizigers uit vorige eeuwen, laat ik dat even vooropstellen. En dan natuurlijk het liefst de Afrika-gangers, maar vooral het type mens, de reiziger die niet anders kan dan reizen, de eenling, nieuwsgierig en rusteloos die tegen alle conventies van de tijd in, doet wat zijn natuur hem ingeeft, namelijk ontdekken. Misschien is het dapper, misschien is het roekeloos, maar hun nieuwsgierigheid moet bevredigd worden. Dit geldt voor mannen, maar waarschijnlijk nog meer voor vrouwen, die het nog een tandje moeilijker hadden.

Dit was dan ook precies de reden waarom ik in een muf boekenwinkeltje het verkreukelde oude boek oppakte met de bovengenoemde titel. Het sprak meteen tot mijn verbeelding en dat bleek ook, want het is geschreven door een ontdekkingsreiziger die als een van de eerste Europeanen door de Sahara reisde en op plekken kwam waar nog geen blanke was geweest. Hij was compleet verslaafd aan de grote stille leegtes en hij zou nog veel meer woestijnen gaan ontdekken in zijn leven, zoals ‘the Empty Quarter’ in Saoedi Arabië en de moerassen in Irak. De boeken die hij hierover schreef hebben hem beroemd gemaakt, maar ik hou het voorlopig bij dit boek, over zijn leven in Afrika.

Deel 1 van het boek gaat over zijn familie en Abessinië; 1910-1933.
Het boek is opgedragen aan de nagedachtenis van Zijne Keizerlijk Hoogheid Haile Selassie van Ethiopië. Wilfred Thesiger is geboren in Addis Abeba, waar zijn vader Wilfred Gilbert Thesiger, Britse consul-generaal en minister voor Addis Abeba was van 1909 tot 1919. Zoals alle kinderen van welgestelde Britten in de koloniën, ging Thesiger voor zijn opleiding naar Eton College, gevolgd door de Universiteit van Oxford, waar hij geschiedenis studeerde en furore maakte als bokser. In 1930 ging Thesiger terug naar Afrika, na een persoonlijke uitnodiging van keizer Haile Selassie om zijn kroning bij te wonen.

Uit zijn schrijven maak ik op dat hij een rustige aard en open houding had, wat  het gemakkelijk voor hem maakte om het vertrouwen te winnen van volkeren die nog nauwelijks een blanke ontmoet hadden en waarschijnlijk alleen de beruchte roem van de koloniale mogendheden kenden.  Hij was ook goed onderwezen en belezen in de geschiedenis en wetenswaardigheden van de plekken die hij bezocht. Hij schrijft een kort en bondig stuk over de geschiedenis van Ethiopië waarbij hij de mythologie en historische verhalen ook een plek geeft, zoals het geloof van de Europeanen in het verhaal van de legendarische priester-koning Prester John uit de tijd van de Kruistochten. Ook de triomftocht van Ras Tafari komt bijvoorbeeld aan bod in een brief van zijn vader die er als ooggetuige bij was. Iets wat weinig Europeanen hebben mogen meemaken. Hij vertelt hoe hij als jongen na het lezen van Ilias zijn fantasie de vrije loop liet bij deze verhalen en werkelijkheid en geschiedenis liepen dwars door elkaar heen. Hij schrijft: “I had a romantic, not an objective, conception of history. Alexander the Great was foremost among my heroes, Montrose was the leader I would most gladly have followed, John Knox was my particular aversion.” Persoonlijk krijg ik daar altijd nieuwsgierige kriebels van in mijn buik en schrijf de namen op om verder uit te gaan zoeken.

Deel 2 gaat over zijn eerste expeditie in Ethiopië en Frans Somalië.  
Hij keert opnieuw terug in 1933 als de leider van een expeditie, deels gefinancierd door de Royal Geographical Society, om de loop van de rivier de Awash te ontdekken. Tijdens deze expeditie wordt hij de eerste Europeaan die het Sultanaat Aussa mag binnengaan en het Abbe meer bezoeken. Hij vertelt over de moeilijkheden als leider van zo’n expeditie, de moeite om toestemming te krijgen om bepaalde gebieden in te mogen gaan en het leergeld dat hij betaalt met ontberingen onderweg, doorweeft met stukjes geschiedenis en geologie van het gebied. Hij vertelt het zo, dat je het gevoel hebt naast hem te zitten en het met eigen ogen te zien.

Tot zijn grote ongenoegen en na lang overleggen moet hij van zijn opdrachtgevers soldaten meenemen:  “The soldiers had four camels, but were hopelessly incompetent at loading them and I had got more and more exasperated at the delay. Only when the station builders disappeared from sight did I feel safe from further intervention. Now, for good or bad, we were on our own. This was what I wanted.”

Hij verzorgt de veiligheid van zijn reis liever op een andere manier: “We had with us a Danakil from Awash Station, not only as guide, but also as hostage, and would not be releasing him until he found a replacement from the next tribe. Each night at intervals he shouted a warning that anyone who approached would be shot.”

Wilfred Thesiger is een van de weinige ontdekkingsreizigers die ik ken (maar ik ken ze nog lang niet allemaal..), die geen prestigieuze redenen had om een dergelijke reis te beginnen, maar puur uit nieuwsgierigheid en liefde voor het land en het onbekende. Ik vind het heerlijk om te lezen over mensen bij wie hij bleef logeren, vrienden van zijn ouders, mensen met echte namen, bestaande mensen in de geschiedenis die hij zo terloops noemt. Het groepje expats in Afrika was niet groot en hoe meer boeken je leest uit die tijd, hoe vaker je dezelfde families en namen tegenkomt. Alsof je langzaam alle puzzelstukjes aan elkaar legt.

Hij heeft ook veel humor in zijn vertelwijze, vooral als hij zich ergert aan mensen: “The Sultan of Tajura had asked to meet me, so at five o’clock I came back to the commandant ’s house. The Sultan, a good-looking young man in an immaculate white robe and closely wound white turban, had a quiet-spoken dignity, unlike out host, who waved his hands about, lit one cigarette from another and hardly stopped taking – mostly about the advantages of a refrigerator.”

Maar als hij iemand bewondert, laat hij dat ook weten: “I was very content, travelling like this across a sea which De Monfreid had made his own. It was easy to picture the lawless life he had led, to understand the craving for freedom and adventure that inspired him, the comradeship that bound him to his savage crew.”

Deel 3 is zijn diensttijd in de Sudan op een van de meest afgelegen posten van het rijk.
Je voelt zijn liefde voor de woestijn en de cultuur en riten van de volkeren daar groeien. Hij geniet ook van de eenzaamheid en vult zijn huis met historische boeken over de plek waar hij is. Hij noemt zijn lokale hut van klei zelfs ‘comfortable’  met veel meer karakter dan de koloniale hutten waar zij collegae in verblijven. Hij omschrijft het leven op de Engelse buitenpost, een plek waar maar weinig blanken in de geschiedenis zijn geweest en velen zich geen voorstelling van kunnen maken. Wilfred moet veel en lange ritten maken en geniet: “I was exhilarated by the sense of space, the silence and the crisp cleanness of the sand. I felt in harmony with the past, travelling as men had travelled for untold generations across deserts, dependent for their survival on the endurance of their camels and their own inherited skills.”

Als zijn overplaatsing er aan komt, probeert hij alles om dat te voorkomen. Waar de meesten blij zouden zijn geweest dat hun tijd in de hitte en eenzaamheid voorbij was, wil Wilfred niets liever dan blijven. Uiteindelijk overtuigt hij zijn meerderen dat hij in de woestijn mag blijven: “Well I have said everything I can to dissuade you, but if you insist, I will agree to the change.” Ook wordt hem van verschillende kanten gevraagd waarom hij met zijn plaatsing niet rekening houdt met een eventuele echtgenote. “Though grateful for his concern, I had no intention of marrying: I valued personal freedom far too highly for that. As for money, I had no expensive tastes, and wanted only to serve in places remote from civilization.”

Deel 4 beschrijft zijn tijd en reizen in Zuid Sudan; 1938-1940.
Hij geeft mooie omschrijvingen van het Dinka volk en de Nuer als hij met een boot dieper het onbekende moerassige land in gaat. Zijn omschrijvingen zijn zo precies, dat je zijn tochten op een kaart kan zou kunnen volgen. Een kaart weliswaar, waarvan je op het eerste gezicht zou zeggen dat het puur woestijn is zonder enige menselijke activiteit. Hij vindt en kopieert zelfs rotstekeningen en uitgehouwen tekeningen.

Meerdere keren door het hele boek heen benoemt hij racisme. Hij is er zelf blind voor en vindt zelfs dat esthetisch gezien blank de meest lelijke huidskleur is. In Zuid Sudan komt hij Fransen tegen die het steeds maar hebben over: “Les blanc et les noirs, a colour discrimination unheard of in the Sudan. The Loquacious sergeant at Azouzou, The only Frenchmen I met in Tibesti whom I disliked, assured me that when a white spoke it was to the black as if God spoke. I wondered what Dadi thought of him.”

De Tweede Wereldoorlog ligt voor de deur. Voor zijn reis door Frans Equatorial Afrika van 30 Juli 1938 tot 26 oktober krijgt hij de opdracht om de afstanden tussen oases te rapporteren, de verschillende stammen, hun onderlinge relaties en hun relatie met de Fransen, evenals de administratie van de Fransen en hun posities. Bij aankomst ligt er een brief van waardering voor zijn werk, maar hij heeft er zelf iets heel anders uitgehaald:
“Looking back on my attitude to the commonly accepted pleasures of life, I can say that I never set much store by them. I hardly care what I eat, provided it suffices, and care not at all for wine or spirits.[ …] As for cigarettes, I dislike even being in a room where people are smoking. Sex has been of no great consequence to me, and the celibacy of desert life left me untroubled. […] I have therefore been able to lead the life of my choice with no sense of deprivation. […] It was those three months in the Sahara in 1938 that taught me to appreciate things that most Europeans are able to take for granted: clean water to drink; meat to eat; a warm fire on a cold night; shelter from rain; above all, tired surrender to sleep.”

Deel 5 gaat over de oorlogsjaren
Wilfred dient in het leger onder andere in Sudan en maakt de invasie in Abyssinië en de uiteindelijk overwinning op de Italianen mee. Het is moeilijk om hier een korte omschrijving van te geven, want hij vertelt heel levendig over spannende en gewaagde missies die ze in de woestijn uithalen tegen de vijand. Gewoon zelf lezen zou ik zeggen…

In deel 6 wordt hij uit het leger gehaald op verzoek van Haile Selassie, die vraagt of Wilfred zijn zoon wil bijstaan met advies in Ethiopië.
Hij voelt er niet veel voor, maar vindt dat hij het verzoek van de keizer niet naast zich neer mag leggen. Tijdens die aanstelling ontmoet hij iemand bij een diner, die hem een baan aanbiedt bij de ‘Desert Locust Research Organisation’ (DLRO). Dankzij zijn tijd in het leger en de DLRO heeft hij de kans gekregen om ook de woestijn van Libië te doorkruisen per auto. Dat geeft hem het gevoel dat er in Noord Afrika geen woestijn meer te ontdekken viel voor hem, maar in Arabië nog wel, een stuk woestijn dat zelfs door de Arabieren Het ‘Lege Kwartier’ wordt genoemd. Wilfred dacht tot dan toe zelf ook dat het ondoordringbaar terrein was, maar in 1930 hadden Thomas en Philby die woestenij doorkruist en daarna niemand meer. Geen vliegtuig vloog er overheen en auto’s kwamen niet verder dan Salala, een RAF kamp. Ineens, plotseling en geheel onverwacht krijgt Wifred de kans om het te gaan proberen. Dit avontuur is te lezen in zijn beroemde boek Arabian Sands.

In 1959, verjaagd door de revolutie in Irak, keert hij na 14 jaar terug in Abyssinië en hij is daar heel blij mee. Al snel wil hij weer op reis en gaat op weg naar de grens met Kenia, tussendoor een bezoek brengend aan Lalibela, waar hij een prachtige beschrijving van geeft. Onderweg bezoekt hij het Konso volk en de Boran.  

In laatste hoofdstuk, Last days of civilisation, Vertrekt Wilfred ‘voor de verandering’ naar Nairobi in Kenia.
Niet om de ‘white highlands’ te bezoeken, waar veel blanken woonden, maar het ongerepte Noorden, tegen de grens van Ethiopië, Somalië en Uganda aan. In de twee jaar dat hij daar is, verblijft hij vele maanden bij de stammen aldaar, de Boran, Turkana, Samburu en de Maasai. In 1963 vertrekt hij naar Tanzania, (toen Tanganyika) en trekt mee met de Maasai vanaf de Ngororo krater tot het meest zuidelijke deel van hun gebied. In 1968 keert hij terug naar Kenia, waar hij 18 jaar lang heel veel van zijn tijd heeft doorgebracht (in het Noordelijke gedeelte), onder andere als Game Ranger.

Afsluitend vertelt Wilfred over wat er met de verschillende personen in zijn boek is gebeurd, hoe de geschiedenis afloopt met Haile Selassie en zijn familie en hoe het er steeds slechter aan toe gaat in Ethiopië, inclusief de grote hongersnood die de hele wereld op z’n kop heeft gezet. Hij schrijft dit boek in 1986 en over Ethiopie eindigt hij dat het land van zijn jeugd, met zijn antieke civilisatie, zijn vroege Christelijk Kerk en zijn trotse traditie van onafhankelijkheid, niet meer is dan een Russische satelliet. Hij heeft er geen goed woord voor over en hij denkt dat veel van de inwoners terug zullen denken aan de tijd van Haile Selassie als de gouden eeuw. It is my hope that in time historians will assess at its true worth all he did for his country. I was privileged to have known that great man.”
“In any case, if we survive, the future of serious geographical exploration must be in outer space or in the ocean depth. […] The surface of the globe, having now, thanks to the internal combustion engine, been thoroughly explored, no longer affords scope for the adventurous individual in search of the unknown.
Journeying al walking pace under conditions of some hardship, I was perhaps the last explorer in the tradition of the past. I was happiest when I had no communication with the outside world, when I was utterly dependent on my tribal companions. […] Among my many rewards was, in Abyssinia, to have been the first European to explore the Sultanate of Aussa; in Arabia, to have reached the oasis of Liwa, and to have found the fabled quicksand’s of Umm al Sammim; and, in so many of my travels, to have been there just in time.”



zondag 28 juni 2015

Zwerftocht door Afrika – De ontdekkingsreis van Alexandrine Tinne


“I have never especially desired to go to America or Australia, but Africa – I cannot say why – has always attracted me. […] I have now been to that unknown region and I shall return to it again, perhaps out of instinct, like a fly drawn to the flame.

Een schatrijke dame uit Den Haag, midden 19de eeuw – de tijd van Stanley en Livingstone – ze wil niet trouwen en krijgt het benauwd van de regels en etiquette waar ze zich als dame van stand aan moet houden in Nederland. Daarom gebruikt ze haar geld om samen met haar moeder zoveel van de wereld te zien als maar mogelijk is.

Dit zou de basis kunnen zijn voor een prachtig verhaal in spannend kinderboek,  roman of zelfs een film, ware het niet dat deze dame echt bestaan heeft. Alexandrine Tinne (1835 – 1868) gooit alle normen en waarden van haar tijd in de wind en doet wat haar hart haar ingeeft, reizen. Als jong meisje al reisde ze veel met haar ouders door Europa, dus ze kreeg het met de paplepel ingegoten. Een groot voordeel was dat haar familie, die zelfs in de koninklijke kringen verkeerde, geld als water had, dus ze kon het avontuur ook najagen. Ze maakt vele reizen, bijna altijd vergezeld door haar moeder Henriette, door Europa, maar later ook naar het midden oosten en uiteindelijk haar grote liefde, Afrika. Ze maakt reizen naar Egypte, Sudan, de bovenloop van de Nijl en de Sahara. In de Sahara, bij de Toearegs,  vindt ze uiteindelijk op gewelddadige manier haar dood.

Ze werd in haar eigen tijd al een heldin genoemd, ze groeide van ‘enfant terrible’ naar heldin, en er zijn vele boeken over haar geschreven. Dit boek gaat over de reis die ze maakt over de Nijl, eerst tot Khartoem en daarna verder op zoek naar de bron van de Nijl. Het is een soort kort maar krachtig geschiedenisboekje dat leest als een roman met veel afbeeldingen. Bijna een middelbare school geschiedenisboek. Alexine schreef zelf niet over haar reizen, alleen brieven naar haar nichtje en hartsvriendin Smous en haar halfbroer John, maar haar reisgenoten, waaronder haar moeder en tante, schreven wel. Daardoor weten we zoveel over deze reizen en vooral ook over het karakter van deze eigenzinnige dame. We lezen over de gedrevenheid en koppigheid waarmee ze de reis voorbereidt en doorzet ondanks alle tegenslag. We lezen over de gekte van haar bagage die allemaal mee moest: “ Op haar expeditie naar Sudan neemt ze maar liefst 32 kisten Nederlandse meubels mee. […] Zelfs haar loodzware smeedijzeren bed. Henriette neemt haar bureau mee, zodat ze rustig brieven kan schrijven. Om hun tenten gezellig te maken, zijn er vloerkleden en schilderijen ingepakt.” Fotoapparatuur, schilderspullen en eten voor een jaar gaat mee, maar ook soldaten voor de veiligheid. Ze nemen ook 800 pond aan geld mee (geen geldautomaten in die tijd..) en daar alleen al hebben ze 10 dromedarissen voor nodig. Haar paard, een ezel en haar honden gaan ook mee. Al met al een gigantische karavaan die over de Nijl in drie boten vervoerd moest worden. Ze huurt uiteindelijk zelfs de enige stoomboot in de Sudan (voor een astronomisch bedrag!) om verder te komen. Een dame die weet wat ze wil dus.

Gedicht van Henriette aan Alexine
Nadat ik dit boek gelezen had, ben ik naar een tentoonstelling geweest in het Haags Historisch Museum, over Alexine haar excentrieke en avontuurlijk leven. Ik zou heel graag nog veel meer over haar weten, dus ik zou iedereen aanraden dit boekje te lezen en als het bevalt, vooral een meer gedetailleerd boek over haar leven te pakken krijgen. Ze heeft zelf ook veel geschilderd en ze was een van de eerste vrouwelijke fotografen, dus er valt nog veel meer over haar te ontdekken.

Aan het einde van dit boek wordt kort het einde van haar leven beschreven. Het doet voorkomen dat ze per ongeluk in een zwaardgevecht terechtkomt tussen Arabieren en de Toearegs en door een schot om het leven komt:  “…een pistoolschot klinkt over de woestijnvlakte. Alexine valt. Enkele van haar bedienden overleven het gevecht en vertellen eenmaal terug in Tripoli over de dood van hun leider. Het lichaam van Alexandrine Tinne wordt nooit gevonden. Ze wordt 33 jaar oud.” Op de tentoonstelling wordt een iets andere versie van haar dood beschreven - dat het een geplande moordaanslag was met zwaarden - en er wordt zelfs verteld over latere roddels dat Alexine niet gestorven zou zijn en dat een journalist haar kinderen zou hebben gesproken. Allemaal stof voor fantastische verhalen!

Wat mij het meeste raakte en waar ik haar echt om bewonder, is haar kijk op het leven en de dood. Dit is wat ze daarover schrijft aan haar broer John:

Als er iets met me zou gebeuren, tijdens mijn reizen, als ik vermoord zou worden, wat redelijkerwijs mogelijk is, zou men kunnen zeggen, “ze verdiende het, dat komt er nou van met al dat gereis, arme Alexine, wat een manier om dood te gaan etc.”, maar jullie moeten dat niet doen, en jullie zullen niet om me treuren. Ik heb nooit het geluk van het ouder worden begrepen. Ik heb het altijd maar triest gevonden – zelfs onder de gelukkigste omstandigheden en ik vind de gedachte om gelukkig en moedig dood te gaan, door een mes of een geweerschot, niet vreselijk, in plaats van me voort te slepen door een saai leven, zoals ik velen heb zien doen. Misschien is het schokkend om zo te denken. Als je vandaag of morgen hoort dat ik naar een andere wereld ben gezonden, denk dan niet dat ik mijn laatste momenten in bitterheid beleefde. Over het geheel genomen ben ik over mijn leven tevreden geweest – Ik heb goed geleefd (ik hoop dat je dit niet uitlegt als dat ik er schaamteloos op los heb geleefd). Ik heb plezier gehad. Ik heb geen haast om dood te gaan – maar als het gebeurt, goed – een kort, maar wel gelukkig leven!”

Alexandrine aan John, 23 mei 1868.